Verslaglegging
In het verslag wordt de volgorde van de vragen uit de toegezonden bespreeknotitie gehanteerd. Niet alle vragen zijn (expliciet) aan de orde gekomen tijdens de bijeenkomst. Sommige vragen zijn gezamenlijk besproken.


1 Eerste algemene reacties op de wetsevaluatie
Een van de deelnemers merkt op dat het lastig is de werkzaamheden van mentoren inhoudelijk te controleren.

Een deelnemer is van mening dat het begrip zelfredzaamheid nader moet worden uitgewerkt in de praktijk. Verder zou er meer aandacht moeten komen voor kwaliteitsborging. Deze deelnemer voegt toe dat een uitbreiding van taken van vertegenwoordigers betekent dat er minder besteedbare tijd is per cliënt. Tot slot merkt de deelnemer op dat er in het veld behoefte is aan uniform maatwerk.

Een andere deelnemer benadrukt het belang van maatwerk en aandacht voor de behoefte van cliënten van vertegenwoordigers.

Het belang van aandacht voor zelfredzaamheid en kwaliteitsborging wordt ook door de volgende deelnemer gedeeld. Verder zouden de opleidingseisen voor vertegenwoordigers moeten worden gewijzigd en moet samenwerking in het veld worden gefaciliteerd. Tot besluit meent de deelnemer dat een passende beloning voor de werkzaamheden van vertegenwoordigers van belang is, omdat impulsen voor verbeteringen in de praktijk anders loze impulsen zijn.

Een deelnemer mist in het evaluatierapport een bredere analyse over de toegang tot beschermingsmaatregelen. De deelnemer benadrukt dat een goede uitwerking van het VNVerdrag betekent dat vertegenwoordigers hun cliënten helpen beslissingen te nemen, in plaats beslissingen voor hen te nemen. De deelnemer wijst op een onderzoek van de Gezondheidsraad over goed vertegenwoordigerschap, dat rond de zomer aan de Tweede Kamer zou worden aangeboden. Verder meent de deelnemer dat het goed zou zijn om het ministerie van VWS bij het verdere traject naar aanleiding van de wetsevaluatie te betrekken. De deelnemer voegt toe dat de vergoedingen voor vertegenwoordigers te laag zijn en de kwaliteitseisen tot bureaucratie leiden.

Andere deelnemers merken in hun inleidende opmerkingen onder meer op dat verbeteringen nodig zijn in de controle op de uitvoering van werkzaamheden van vertegenwoordigers, bijvoorbeeld door meer controle op de inhoud van de werkzaamheden en meer maatwerk in het toezicht.

Een van de deelnemers vraagt aandacht voor bewind light. Deze deelnemer merkt verder op dat in de Regeling beloning met bouwstenen gewerkt zou kunnen gaan worden.

Verschillende deelnemers benadrukken het belang van aandacht voor samenwerking en onderling vertrouwen in de praktijk.

2 Aansluiting ondersteuningsbehoeften
1 Deelt u de conclusie dat de rechtsgronden voor de beschermingsmaatregelen adequaat zijn en herformulering dan wel uitbreiding van de gronden niet noodzakelijk is?

Deze vraag is niet aan de orde gekomen tijdens de bijeenkomst.

2 Deelt u de conclusie dat de uitbreiding van de kring van verzoekers tot instelling of opheffing van beschermingsmaatregelen adequaat is?

Een deelnemer merkt op dat de kring van verzoekers tot instelling van een beschermingsmaatregel zou kunnen worden uitgebreid met Veilig Thuis (met het oog op de aanpak van ouderenmishandeling) en de gevolmachtigde(n) uit het levenstestament. Een andere deelnemer merkt hierop op dat Veilig Thuis vaak uitsluitend incidenteel contact heeft met partijen.

3 Deelt u de analyse van de knelpunten van gemeenten bij verzoeken tot opheffing van schuldenbewinden? Zo ja, welke verbeteringen acht u mogelijk?

Een van de deelnemers vraagt waar gemeenten tegenaanlopen bij opheffingsverzoeken. De
deelnemer merkt op dat er op dat vlak al veel mogelijk is als er een goede dialoog is. Verder merkt deze deelnemer op dat het goed zou zijn als wordt gedefinieerd wat financiële zelfredzaamheid is. Voorts vraagt de deelnemer aandacht voor zorgmijders, voor wie de rol van cliëntondersteuners als poortwachters van belang is.

In reactie op de vraag waar gemeenten tegenaanlopen bij opheffingsverzoeken merkt een deelnemer op dat schuldenbewinden blijven doorlopen en het ingewikkeld is voor gemeenten om in te grijpen.

Een andere deelnemer vraagt hierop wat het struikelblok is voor gemeenten: (a) het duurt te lang voordat de schulden worden aangepakt of (b) de (hogere) vergoeding loopt door.

Een deelnemer antwoordt dat er honderden betrokkenen schuldenvrij worden gemaakt en de hogere beloning voor de bewindvoerder in die gevallen toch doorloopt.

Een andere deelnemer meent dat de vergoeding voor bewindvoerders bij schuldenbewinden nu te laag is bij aanvang van het bewind. De beloningssystematiek zou zo kunnen worden aangepast dat er in jaar 1 een hogere vergoeding aan de bewindvoerder wordt toegekend en vervolgens uitsluitend als daartoe een – terecht – verzoek wordt ingediend. Dat geeft de rechter grip. Die kan dan namelijk beter beoordelen of de bewindvoerder daadwerkelijk werkzaamheden uitvoert in het kader van de problematische schulden van de betrokkene.

Een deelnemer merkt op dat de samenwerking tussen de verschillende partijen in het veld zou moeten worden bevorderd aan het begin van een schuldenbewind. Verder meent deze deelnemer dat er meer gekeken moet worden naar tijdelijk bewind, met de verplichting om gezamenlijk te kijken naar welke partij wat doet in die fase.

Hierop merkt een deelnemer op dat tijdelijk bewind problematisch is voor rechters omdat de rechter niet ziet wat er gebeurt als het bewind plots afloopt.

De voorzitter vraagt of schuldenbewinden na jaar 1 geëvalueerd zouden moeten worden.

Een van de deelnemers meent dat partijen tijdens jaar 1 meer met elkaar om tafel zouden moeten om beter te monitoren hoe het gaat. De beloning voor de bewindvoerder moet in die periode worden verhoogd. De deelnemer vindt het in dit verband van belang om met gemeenten om tafel te gaan.

Een andere deelnemer is van mening dat de samenwerking tussen partijen in de praktijk minder vrijblijvend moet zijn dan nu en vraagt hoe de wetgever samenwerking kan bevorderen.

De voorzitter merkt op dat partijen al kunnen samenwerken. Het is aan de praktijk om dit op te pakken.

4 De Expertgroep signaleert een toename van het aantal opheffingen van schuldenbewinden. Uitstroom zou volgens koepelorganisaties gepaard gaan met recidive. Hoe kan eventuele recidive worden beperkt bij de uitstroom uit beschermingsmaatregelen?

5 Het blijft lastig om ‘zorgmijders’ en mensen zonder sociaal vangnet voldoende toegang te verlenen tot beschermingsmaatregelen. Hoe kan de toegang ook voor deze groepen worden geborgd?

Deze vragen zijn niet aan de orde gekomen tijdens de bijeenkomst.

6 Zowel vertegenwoordigers als rechters ervaren dat de periodieke evaluatie lastig kan zijn als sprake is van een niet-veranderbare situatie. Met het oog op deze groep betrokkenen heeft de rechtspraak het evaluatieformulier gewijzigd. De Werkgroep Wij Zien Je Wel heeft aangegeven dat de wijziging in elk geval voor mensen met zeer ernstige verstandelijke en meervoudige beperkingen (ZEVMB) niet afdoende is. Zou het mogelijk moeten zijn voor specifieke betrokkenen of groepen een uitzondering te maken op de periodieke evaluatie? Zo ja, voor wie?

De formulieren bij de periodieke evaluatie zijn volgens een van de deelnemers lastig in te vullen omdat er in slechts vijf regels een toelichting moet worden gegeven.

Een andere deelnemer merkt op dat er een dubbeling zit in de jaarlijkse en vijfjaarlijkse evaluatie. De deelnemer stelt voor dat de vijfjaarlijkse evaluatie wordt gecombineerd met de vraag aan de vertegenwoordiger of het nog lukt om zijn werk te doen.

Een deelnemer meent dat bij de vijfjaarlijkse evaluatie goed moet worden gekeken of voortzetting van de maatregel nodig is.

Een uitzondering op de vijfjaarlijkse evaluatie is volgens een andere deelnemer gerechtvaardigd als het gaat om meervoudig gehandicapten. Daarbij benadrukt de deelnemer het belang van toezicht op de vertegenwoordiger, ook in deze gevallen.

Een andere deelnemer merkt op dat het om kwetsbare mensen gaat. De deelnemer meent dat er moet worden geëvalueerd, ook als dat op emotioneel vlak moeilijk is voor de vertegenwoordiger. Anders zou een maatregel voor het leven worden ingesteld, zonder tussentijdse controle, merken verschillende deelnemers op. Een andere deelnemer voegt toe dat de rechter de ruimte heeft om te bepalen hoe er wordt geëvalueerd en dat het VN-Verdrag toezicht op beschermingsmaatregelen verplicht.

De voorzitter vraagt of zich ook moeilijke situaties voordoen rond de periodieke evaluatie in andere gevallen dan bij onveranderlijke situaties. De voorzitter merkt verder op dat de wet maatwerk mogelijk maakt bij de periodieke evaluatie, binnen de verplichting om in elk geval na vijf jaar te evalueren. Voorts vraagt de voorzitter of het behulpzaam zou zijn om de vergoeding voor de bewindvoerder in jaar 1 te verhogen en het schuldenbewind na jaar 1 te evalueren.

Een deelnemer stelt voor dat het moment van evalueren kan worden gekoppeld aan de grond voor het bewind (toestand of schulden).

Een andere deelnemer meent dat evalueren bij onveranderlijke situaties weinig zin heeft. De deelnemer ziet wel toegevoegde waarde in een actieve rol voor de mentor, die zelf controleert of er wijzigingen zijn en deze zou moeten doorgeven aan de rechter. De voorzitter concludeert dat er begrip is voor de gevoeligheid van de periodieke evaluatie in bepaalde gevallen, dat in de evaluatie ook de vraag zou kunnen worden gesteld wat de vertegenwoordiger nodig heeft en dat het onwenselijk is dat iemand voor onbepaalde tijd in een maatregel zou zitten, zonder tussentijds
controle.

3 Borging kwaliteit bewindvoerders – Kwaliteitseisen
1 Deelt u de conclusie dat de uitbreiding van de niet-benoembare (rechts)personen adequaat is?

Deze vraag is niet aan de orde gekomen tijdens de bijeenkomst.

2 De introductie van kwaliteitseisen wordt breed gedragen. Ook wordt breed gesignaleerd dat de kwaliteitseisen een positieve impact hebben gehad op de ontwikkeling van de kwaliteit van vertegenwoordiging. Deelt u de analyse dat met de eisen vooral wordt getoetst op de proceskwaliteit en minder op de inhoudelijke kwaliteit? Zo ja, op welke wijze zou toetsing op de inhoudelijke kwaliteit kunnen worden bevorderd? Kan bijvoorbeeld de introductie van een keurmerk hieraan bijdragen?

Een deelnemer meent dat het ook de taak is van brancheverenigingen om de kwaliteit van hun leden te bevorderen.

Een andere deelnemer licht toe dat de branche de mogelijkheden onderzoekt van een beroepsexamen om als bewindvoerder aan het werk te kunnen gaan. De deelnemer wijst verder op sectoren waarin inspecties onafhankelijk onderzoek kunnen instellen.

Een deelnemer merkt hierover op dat een controle van een inspectie evenzeer procesmatig is. Een andere deelnemer meent dat ook een inspectie niet zou kunnen zien hoe een vertegenwoordiger functioneert; daarvoor is het toezicht van de individuele rechter nodig.

Een deelnemer vraagt hoe kandidaat-vertegenwoordigers kunnen worden beoordeeld op andere dan formele eisen.

Een andere deelnemer vraagt of de introductie van een keurmerk zou bijdragen aan grip op de kwaliteit van vertegenwoordigers. Een van de deelnemers meent dat een keurmerk helpt voor de bevordering van basisvaardigheden en -kennis van vertegenwoordigers. De deelnemer ervaart dat basiskennis vaak ontbreekt bij bewindvoerders, die toch zijn benoemd.

Een deelnemer vraagt wie bepaalt wat kwaliteit is. Een andere deelnemer vraagt hoe de kwaliteit wordt bevorderd van vertegenwoordigers die niet zijn aangesloten bij een brancheorganisatie.

De voorzitter antwoordt dat het Besluit kwaliteitseisen minimumeisen bevat, die ook gelden voor vertegenwoordigers die niet zijn aangesloten bij een brancheorganisatie.

Een deelnemer merkt op dat bepaalde groepen zijn vrijgesteld van de kwaliteitseisen (bijv. deurwaarders en accountants); in de praktijk is er niet of nauwelijks controle op deze groepen.

De voorzitter concludeert dat verschillende deelnemers menen dat het Besluit kwaliteitseisen knelt voor mentoren. De voorzitter vraagt of het besluit voldoende is als het gaat om bewindvoerders, of dat een extra toets nodig is. Verder vraagt zij of die toets door de branche zou kunnen worden ontwikkeld.

De voorzitter stelt voor dat op een later moment met de rechtspraak en brancheorganisaties verder wordt gesproken over (1) de opleidingseisen voor mentoren en (2) een kwaliteitsslag voor bewindvoerders vanuit de branche zelf.

3 Zijn er kwaliteitseisen, waaronder opleidingseisen, die volgens u missen of aanpassing behoeven? Zo ja, welke?

Een deelnemer meent dat een HBO-opleiding meer passend zou zijn voor mentoren. Zie over de opleidingseisen verder het verslag bij vraag 5.

4 Deelt u de analyse dat de opleidingseisen in de praktijk te breed worden toegepast, bijvoorbeeld als het gaat om bestuurders en ondersteunend personeel?

Deze vraag is niet aan de orde gekomen tijdens de bijeenkomst.

5 Deelt u de analyse dat een lijst met opleidingen onvoldoende houvast biedt voor de invulling van de term “passende beroepsopleiding”? Zo ja, op welke wijze zou meer houvast kunnen worden geboden?

Wat betreft de eis van een passende opleiding merkt een deelnemer op dat deze eis voorbijgaat aan het belang van competenties als mentor. Of iemand geschikt is als mentor, is moeilijk af te meten aan de hand van iemands initiële opleiding. Deze deelnemer meent dat de lijst met geschikte opleidingen onvoldoende verband houdt met de competenties waarover een mentor zou moeten beschikken.

Een andere deelnemer merkt op dat de beoordeling of iemand als mentor kan worden benoemd in de praktijk ruimer is dan uitsluitend de vraag of iemand een passende opleiding heeft. Er is een lijst met opleidingen die in elk geval als passend worden bestempeld.

Volgens een andere deelnemer is het moeilijk om te beoordelen of iemand geschikt is als mentor zonder opleidingseisen als referentiekader te hanteren.

6 Deelt u de analyse van sommige koepelorganisaties dat onvoldoende invulling wordt gegeven aan de verplichte bijscholings- en trainingsactiviteiten? Zo ja, welke verbetering acht u mogelijk?

Deze vraag is niet aan de orde gekomen tijdens de bijeenkomst.

7 Deelt u de analyse dat vertegenwoordigers, met name bij schuldenbewinden, meer aandacht kunnen besteden aan het bevorderen van de zelfredzaamheid van betrokkenen? Zo ja, op welke wijze kan de aandacht hiervoor worden vergroot?

Een deelnemer merkt op dat niet is gedefinieerd wat moet worden verstaan onder zelfredzaamheid. Hierop stelt een deelnemer voor dat de branche gezamenlijk een notitie over zelfredzaamheid opstelt.

De voorzitter merkt op dat maatwerk noodzakelijk is bij zelfredzaamheid en het aan de praktijk is om te bepalen wat moet worden verstaan onder zelfredzaamheid.

Een deelnemer merkt op dat gemeenten betrokken zouden moeten worden bij de discussie over zelfredzaamheid.

Een andere deelnemer merkt op dat zelfredzaamheid niet uitsluitend gaat om de vraag wat iemand zelf kan, maar ook over de vraag of iemand weet waar hij terecht kan als hij het zelf niet (langer) kan.

8 Deelt u de analyse dat (te) veel klachten over vertegenwoordigers direct bij de rechter terechtkomen? Zo ja, hoe kan worden bevorderd dat gebruik wordt gemaakt van de klachtenregeling van vertegenwoordigers?

Deze vraag is niet aan de orde gekomen tijdens de bijeenkomst.

4 Borging kwaliteit vertegenwoordigers – Toezicht
9 Deelt u de analyse dat de toets van het LKB op de kwaliteitseisen ten goede is gekomen aan de eenduidigheid en efficiency van de uitvoering van de eisen? Zo niet, welke verbeteringen acht u mogelijk?

Een deelnemer merkt op dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de taken van het LKB en de individuele rechter. De deelnemer merkt voorts op dat de kwaliteitseisen op dit moment vooral procedureel zijn, maar dat wanneer een accountant concludeert dat een vertegenwoordigers steeds niet aan de procedurele eisen voldoet, dit ook iets zegt over de inhoud van het werk van die vertegenwoordiger.

Andere deelnemers vullen aan dat het LKB in samenwerking met de rechtbanken toetst en dat het toezicht van de rechters in de verschillende arrondissementen steeds gerichter plaatsvindt. Eerst werd meer op dossierniveau toezicht gehouden. Nu is er een groeiend verlangen bij rechters om op kantoorniveau te toetsen. Die toetsing is in ontwikkeling. Een deelnemer vult verder aan dat het arrondissement waar een vertegenwoordiger zijn standplaats heeft, weet hoe die vertegenwoordiger werkt. De rechtbank heeft ten minste eens per jaar een gesprek met de vertegenwoordiger.

Een andere deelnemer ervaart dat er bij rechtbanken soms te weinig kennis is over hoe bewindvoerders werken. Evaluaties zouden op het kantoor van de bewindvoerder kunnen plaatsvinden in plaats van op de rechtbank, stelt de deelnemer voor. In reactie hierop merkt een andere deelnemer op dat rechters niet bij alle kantoren langs kunnen gaan, maar dat zij zich wel inspannen om kantoren te bezoeken.

Een deelnemer merkt op dat de formele eisen met name bij curatoren en mentoren leiden tot frustratie.

Een andere deelnemer merkt op dat LKB niet in het openbaar verantwoording aflegt. De deelnemer vraagt wat een rechter nodig heeft om goed toezicht te kunnen houden.

Een deelnemer vraagt of de rechtspraak inzicht heeft in klachten over vertegenwoordigers. Een andere deelnemer antwoordt dat het digitale systeem waar de rechtspraak mee werkt niet is gebouwd om klachten in te verwerken. Wel wordt door rechters onderling informatie gedeeld over slecht functionerende vertegenwoordigers.

Een deelnemer merkt op dat bijna de helft van de bewindvoerders is aangesloten op het digitale systeem van de rechtspraak. Een andere deelnemer vult aan dat dit systeem veel informatie voor de rechters zal gaan genereren.

Een deelnemer stelt voor dat de ontwikkelingen duidelijker inzichtelijk gemaakt zouden kunnen worden.

De voorzitter concludeert dat er veel ontwikkelingen zijn in het rechterlijke toezicht op vertegenwoordigers. De voorzitter merkt op dat nieuwe regels energie zouden kunnen weghalen bij de goede ontwikkelingen die er al zijn.

10 Hoe beoordeelt u de werkbaarheid van de toelatings- en handhavingsverzoeken bij het LKB?

Deze vraag is niet aan de orde gekomen tijdens de bijeenkomst.

11 Deelt u de conclusie dat het ontbreken van bezwaar- en beroepsmogelijkheden bij het LKB een omissie is?

Een deelnemer bevestigt dat het moeilijk is om problemen rond de toepassing van de kwaliteitseisen  te adresseren zonder bezwaarmogelijkheid. Als de kwaliteitseisen ruimer worden gehanteerd, is er volgens deze deelnemer minder behoefte aan een bezwaarmogelijkheid.

Een andere deelnemer meent dat bezwaar en beroep mogelijk moeten zijn.

12 Deelt u de conclusie dat het ontbreken van een wettelijke verankering van het LKB een manco is?

Deze vraag is niet aan de orde gekomen tijdens de bijeenkomst.

13 Sommige rechters hebben aangegeven niet altijd adequaat toezicht te kunnen houden. Als een van de oorzaken noemen zij dat plannen van aanpak en periodieke evaluaties te algemeen of te summier worden ingevuld. Wat zou in dit verband ten goede komen aan adequaat toezicht?

14 Verder hebben sommige rechters aangegeven dat adequaat toezicht soms niet mogelijk is doordat betrokkenen niet verplicht zijn op zitting te verschijnen, waardoor zij de betrokkenen zelf geen vragen kunnen stellen. Zou een verschijningsplicht behulpzaam zijn? Zo ja, geldt dat zowel voor de instellingszitting als voor eventuele zittingen tijdens de duur van de maatregel?

Een van de deelnemers merkt op het beeld dat rechters niet altijd adequaat toezicht zouden kunnen houden niet te herkennen.

15 Vanuit de Expertgroep is de behoefte geuit aan een instrument waarmee rechters meer proactief zicht kunnen krijgen op het functioneren en de kwaliteit van vertegenwoordigers. In de huidige  situatie zijn rechters volgens de Expertgroep nog te veel afhankelijk van incidenten (zoals klachten) of van vaste zittingen/contactmomenten (zoals de jaarlijkse rekening en verantwoording of de periodieke evaluatie). Deelt u deze behoefte en zo ja, welke verbeteringen op het gebied van proactief toezicht acht u mogelijk?

Deze vraag is niet aan de orde gekomen tijdens de bijeenkomst.

5 Stroomlijning wettelijk kader
1 Deelt u de analyse dat de Regeling beloning goed inzicht geeft in de vergoedingenstructuur voor vertegenwoordigers?

2 Zijn er werkzaamheden die niet of onvoldoende worden vergoed? Zo ja, waarom?

Een deelnemer merkt op dat de huidige indexeringsformule in de Regeling beloning ervoor zorgt dat de uitkomst van de indexering altijd achterblijft bij het algemene inflatiecijfer. Hierdoor leveren vertegenwoordigers jaarlijks in op hun inkomsten. De deelnemer suggereert dat in de Regeling beloning kan worden aangesloten bij het algemene inflatiecijfer.

Een andere deelnemer voegt toe dat experts gevraagd is de indexeringsregeling door te rekenen. Daaruit zou blijken dat vertegenwoordigers structureel tien procent inleveren op de prijsontwikkelingen. Hierdoor zouden vertegenwoordigers interen op de tijd die zij voor hun cliënten hebben.

Een deelnemer ervaart dat het bijna onmogelijk is om een vergoeding te krijgen voor extra werkzaamheden. De deelnemer suggereert dat er bij de vergoedingen gewerkt zou kunnen worden met bouwstenen. Een andere deelnemer merkt op dat het aantal toegekende uren in de Regeling beloning onvoldoende is.

Een van de deelnemers is van mening dat de beloningssystematiek is dichtgetimmerd en experimenteerruimte nodig is bij de vergoeding van werkzaamheden van vertegenwoordigers, bijvoorbeeld in pilots.

6 Tot besluit
De voorzitter vat samen dat er veel verbeteringen in de praktijk hebben plaatsgevonden sinds de wetswijziging en dat verdere verbeteringen mogelijk zijn. De voorzitter concludeert dat de deelnemers maatwerk en samenwerking tussen de partijen in het veld van belang vinden.

De voorzitter merkt op dat er overleggen worden georganiseerd over (1) de opleidingseisen voor mentoren en (2) de kwaliteitseisen, in het bijzonder de opleidingseisen, voor bewindvoerders. De beloningssystematiek zal als separaat onderwerp besproken gaan worden.

De voorzitter biedt de deelnemers de mogelijkheid om tot eind maart eventuele nadere schriftelijke opmerkingen in te sturen. Deze worden meegezonden bij het verslag, tenzij de afzender van de opmerkingen daartegen bezwaar heeft.